Eastern equine encephalomyelitis virus
Zie onder ziekte van Borna.




EAV infectie
Infectie met het equine arteritis virus (EAV), een virus, dat behoort tot de familie van de Arteriviridae en ontstekingen van de voorste luchtwegen en abortus kan veroorzaken. Voorheen werd het virus ingedeeld bij de togavirussen.




Ecchymosen
Vlekkige bloedingen in de huid of in slijmvliezen. Synoniem: suggilaties.




Aviaire encephalomyelitis
Een wereldwijd bij kuikens voorkomende ziekte die wordt veroorzaakt door een Picorna-virus en vooral gekenmerkt wordt door ataxie, inco÷rdinatie, paralyse en tremoren bij jonge kuikens. De morbiditeit ligt meestal tussen 40 en 60% rn de mortaliteit kan oplopen tot 50%. De incubatietijd bedraagt minstens 11 dagen. De belangrijkste histopathologische bevinding is een lymfocytaire encephalomyelitis. Daarnaast kunnen lymfocytaire infiltraten worden aangetroffen in het maagdarmkanaal en in het hart. Synoniem: trilziekte bij kuikens.




Echinococcose
Echinococcose wordt bij dieren meestal veroorzaak door de worm Echinococcus granulus (eindgastheervorm) en Echinocossus unilocularis (tussengastheervorm: blaasworm van de E. granulosus). Echinococcus granulosus kan voorkomen in de dunnen darmen van hond, kat en andere carnivoren. Echinoccus unilocularis komt vooral voor bij rund, varken en paard in de vorm van blazen in diverse organen, o.a. longen en lever. De diameter van de blazen kan sterk variŰren, maar is meestal niet groter dan 10 cm. Echinococcus unilocularis komt ook voor bij de mens.




Echinococcus granulosus
Een vooral bij de hond en de kat in de dunne darm voorkomend wormpje. Het larvestadium van deze worm, de zogenoemde Echinococcus-blaas, kan voorkomen in diverse organen van (slacht)dieren, met name in de longen.




Ectasie
Verwijding van een hol orgaan of orgaangedeelte, b.v. van bronchiŰn of bloedvaten.




Ecthyma contagiosa
Een vooral bij lammeren en jonge schapen voorkomende aandoening die wordt veroorzaakt door een virus dat hoort bij het genus Parapoxvirus. De ziekte komt ook voor bij de geit, maar minder vaak dan bij het schaap. Bovendien kan ecthyma voorkomen bij honden na het eten van besmette kadavers. Ecthyma is een zo÷nose. Door contact met besmette dieren kunnen er bij de mens lokale huidlaesies ontstaan. Bij het schaap komen ecthyma laesies vooral voor aan de lippen en omgeving. De laesies kunnen ook voorkomen in de tong, de slokdarm, de voormagen, het verhemelte, de tussenklauwspleet, de kroonrand, de kootholte, de vulva en omgeving en in de huid van uier en spenen. De laesies beginnen met roodheid, daarna ontstaan papulae, die overgaan in pustulae, die openbreken waarna het vrijgekomen exsudaat indroogt tot korsten. Er kunnen secundaire bacteriŰle infecties optreden. Bij lacterende ooien kunnen ernstige mastitiden ontstaan. Synoniemen: contagieuze pustuleuze dermatitis, orf en zere bekjes.




Ectopia cordis
Angeboren afwijking, waarbij het hart zich buiten de thorax bevindt, b.v. in de buikholte. Synoniem: ectocardie.




Ectopie
Het voorkomen van weefsels of organen op plaatsen waar ze normaal niet voorkomen.




Ectopia cordis
Angeboren afwijking, waarbij het hart zich buiten de thorax bevindt, b.v. in de buikholte. Synoniem: ectocardie.




Ectropion
Naar buiten omkrullen van de oogleden.




Eczema solare
Een bij het rund voorkomende aandoening van de huid die wordt veroorzaakt door fotosensibilisatie en vooral voorkomt in schaars behaarde niet-gepigmenteerde huidgedeelten. De aangetaste huidgedeelten die in het begin pijnlijk, rood en verdikt zijn kunnen na twee tot drie weken necrotisch worden. Op basis van de oorzaak van de fotosensibilisatie worden drie vormen onderscheiden:
1. De primaire vorm, waarbij de fotosensibilisatie wordt veroorzaakt door opname van planten met daarin fotosensibilisatie veroorzakende stoffen, b.v. boekweit, St. Janskruid en rode klaver.
2. De hepatoge vorm, waarbij de fotosensibilisatie wordt veroorzaakt door een verhoogde phylloerythrine-concentratie in het bloed ten gevolge van leverinsufficiŰntie en/of gestoorde galafvoer. Phylloerythrine ontstaat bij de afbraak van chlorofyl in de voormagen, komt na resorbtie door de darmwand in het bloed en de lever terecht en wordt uitgescheiden via de gal. LeverinsufficiŰntie en gestoorde galafvoer kunnen leiden tot verhoging van de phylloerythrine-concentratie in o.a. het bloed en de huid.
3. De congenitale vorm, waarbij de fotosensobilisatie wordt veroorzaakt door een afwijkende porfyrine-stofwisseling waardoor een overmaat aan fotosensibilisatie veroorzakende stoffen in de circulatie komen.

Synoniemen: dermatitis solaris, fotodermatitis, mummificatie van de witte huid en springvuur.




Eendenpest
Een bij jonge eenden en andere watervogels voorkomende infectieziekte die wordt veroorzaakt door een herpesvirus en vooral gekenmerkt wordt door anorexie, sepsis, necrotiserende ontsteking van de digestietractus, met name van de oesofagus en de cloaca, neusuitvloeiing, ataxie, tremoren en bloederige diaree. Synoniem: duck plague.




Eenvoudige atrofie
Die vorm van atrofie waarbij de vermindering van de omvang van het weefsel of het orgaan wordt veroorzaakt door afname van het celvolume. Vergelijk numerieke atrofie.




Eenzijdige longontsteking bij het varken
Zie onder Actinobacillus pleuropneunoniae (App) infectie bij het varken.




Ehlers-Danlos (achtig) syndroom
Een bij de mens voorkomende erfelijke aangeboren storing in de collageenvorming. Het syndroom is vooral gekenmerkt door een verhoogde elasticiteit en broosheid van de dermis (huid). Afwijkingen lijkend op of hetzelfde als het Ehlers-Danlos syndroom bij de mens zijn (o.a.) beschreven bij de hond, de kat, het paard, het schaap en het rund. Bij hond, paard, rund en schaap is een erfelijke oorzaak vastgesteld. Erfelijkheid is ook beschreven bij de "Himalayan kat" (recessief) en bij de "domestic shorthair cat" (dominant). Het is niet zeker dat de aandoening bij alle kattenrassen erfelijk is. De aandoening is genoemd naar de Deense dermatoloog E. Ehlers (1863-1937) en de Franse dermatoloog H.A. Danlos (1844-1912) die in 1901 respectievelijk 1908 aspecten van de aandoening hebben beschreven bij de mens.




Ehrlichia
Een bacterie-geslacht dat behoort tot de familie van de Rickettsiae. Dit zijn intracellulair voorkomende Gram-negatieve bacteriŰn. Ze kunnen niet worden ge´soleerd via de gebruikelijke routine voedingsbodems; vermeerdering vindt alleen plaats in levende cellen, b.v. in bepaalde cellijnen. Een voorbeeld van een door Ehrlichia veroorzaakte ziekte is de Potomac horse fever, die wordt veroorzaakt door Ehrlichia resticii, die voorkomt in monocyten. Vanwege het voorkomen van de Ehrlichia resticii in monocyten wordt deze ziekte ook wel equine monocytic ehrlichiosis genoemd.




Ehrlichia phagocytophilia
Een bacterie, die tick-borne fever (merskenziekte) bij rund, schaap en geit kan veroorzaken.




Ehrlichia resticii
Een bacterie die behoort tot de familie van de Rickettsiae. Dit zijn intracellulair voorkomende Gram-negatieve bacteriŰn. Ehrlichia resticii is de verwekker van de Potomac horse fever, vanwege het voorkomen van de Ehrlichia resticii in monocyten ook wel equine monocytic ehrlichiosis genoemd.




EHVs (equine herpes viruses)
Bij het paard voorkomende herpes virussen, die vooral belangrijk zijn als verwekkers van rhinopneumonie. Er worden verschillende typen onderscheiden. Deze zijn genummerd: equine herpes virus 1 (EHV-1) etc. De rhinopneumonie wordt vooral veroorzaakt door EHV-1, maar kan ook worden veroorzaakt door EHV-4. EHV-1 werd voorheen ingedeeld in subtype 1 en subtype 2. EHV-4 is het vroegere subtype 2.




Eikelvergiftiging bij herkauwers
Een ziektebeeld dat vooral gekenmerkt wordt door buikpijn, met functiestoornissen gepaard tubulonefrose van de nieren, perirenaal oedeem, frequent urineren, gastroenteritis, vermagering en verhoogde bloedwaarden van creatinine en ureum. Eikelvergiftiging wordt veroorzaakt door tannineverbindingen die vooral voorkomen in groene eikels (meer dan in bruine eikels).




Eikenprocessierups laesies
De eikenprocessierups (Thaumetopoea processionea L.) die met name voorkomt op eiken (vandaar de naam) is vooral bekend als oorzaak van irritaties en ontstekingen van huid, ogen en luchtwegen bij de mens, maar kan ook klachten veroorzaken bij dieren, vooral bij honden en paarden. De klachten kunnen zeer divers zijn. Naast lokale klachten van vooral huid, mond, ogen, keel en voorste luchtwegen kunnen ook systemische klachten voorkomen, b.v. koorts, diarree en algemene malaise. De laesies in de mond kunnen zeer ernstig zijn. Er kan zelfs necrose van de tong voorkomen met als gevolg slikstoornissen. De laesies worden veroorzaakt door stoffen in de aan het oppervlak van de rupsen aanwezige brandharen. Voor contact met de brandharen is het niet nodig in contact te komen met de rups. De door de rups "afgeschoten" brandharen kunnen via de lucht verspreid worden.




Elso heel
Een progressief verlopende erfelijke aandoening die gekenmerkt wordt door een overstrekking (hyperextensie) van ÚÚn of beide achterbenen ten gevolge van een voortdurende kramptoestand van de musculus gastrocnemius en andere spieren van de achterste extremiteiten. De manier van overerving is niet met zekerheid bekend, maar is waarschijnlijk recessief via ÚÚn of meer genen. Mogelijk is de manier van overerving niet bij alle rassen hetzelfde. Tussen 1930 en 1940 werd in Duitsland de aandoening vastgesteld bij nakomelingen van de in 1903 geboren Elso II. Vandaar de naaam "Elso heel". Synoniem: spastische parese bij het rund.




Emaildefecten van de tanden bij honden
Emaildefecten bij honden zijn bekend als "naziekte" van de ziekte van CarrÚ (canine distemper, hondenziekte). De na hondenziekte voorkomende emaildefecten zijn het gevolg van aantasting van ameloblasten (cellen die het email vormen) door het virus van CarrÚ. Emaildefecten kunnen ook voorkomen bij (diverse) andere met koorts gepaard gaande infecties. Bovendien kunnen ze worden aangetroffen bij fluorintoxicatie. Emaildefecten kunnen ook het gevolg zijn van (kaak)trauma, waarbij ameloblasten worden beschadigd.




Embolie
Het vastlopen in een arterieel bloedvat van een embolus, bestaande uit b.v. een stukje necrotisch weefsel, een stolsel, een vetdruppel (vetembolie), een luchtbel (luchtembolie) of lichaamsvreemd materiaal.




Luchtembolie
Het vastlopen van een luchtbel in een arterieel bloedvat.




Embolus
Meestal wordt met embolus een klein stukje van een thrombus of van necrotisch weefsel bedoeld dat via de circulatie vervoerd kan worden naar (kleine) arteriŰle vaten waar het vast kan lopen: embolie. Een via de circulatie vervoerde embolus hoeft echter niet uit thrombotisch of necrotisch materiaal te bestaan, maar kan ook een vetdruppel (vetembolie), een luchtbel (luchtembolie) of lichaamsvreemd materiaal zijn.




Embryonaal nefroom, embryonaal adenosarcoom
Een niertumor waarin zowel epitheliale als mesenchymale tumoreuze embryonale niercomponenten voorkomen. De tumor komt vooral voor bij het varken en de kip. Bij Sprague Dawley ratten is een erfelijk embryonaal nefroom beschreven. Bij diverse andere diersoorten (o.a. de hond, de kat en het rund) zijn enkele gevallen van embryonaal nefroom beschreven. Synoniemen: nefroblastoom en Wilmsĺ tumor, genoemd naar de Duitse chirurg M. Wilms (1867-1918) die in 1899 een beschrijving gaf van de tumor bij de mens.




Emesis
Braken. Synoniem: vomitus.




Emfyseem
1. Aanwezigheid van lucht in weefsels waarin normaal geen lucht voorkomt.
2. Aanwezigheid van teveel lucht in de longen (longemfyseem).




Longemfyseem
Een aandoening waarbij het respiratoire gedeelte van de long teveel lucht bevat. Emfysemateuze longen of longgedeelten zijn volumineuzer en bleker dan normale longen of longgedeelten. Gelet op de ontstaanswijze van het emfyseem zijn te onderscheiden:
1. Obstructief emfyseem. Dit is de belangrijkste vorm. Bij deze vorm komt een sterkere (toenemende) ophoping van lucht ("air trapping") voor in de alveoli ten gevolge van de zogenoemde "ventielwerking". Obstructief emfyseem wordt meestal veroorzaakt door een chronische bronchi(oli)tis.
2. Compensatoir emfyseem. Deze vorm kan het gevolg zijn van aandoeningen in andere longgedeelten en kan ook optreden na lobectomie.
Gelet op de lokalisatie van het emfyseem zijn te onderscheiden:
A. Alveolair emfyseem. Hierbij is het emfyseem beperkt tot de alveoli.
B. Interstitieel emfyseem. Hierbij heeft het emfyseem zich ten gevolge van scheuring van alveolaire septa uitgebreid tot in het interstitium van de long. Komt de lucht ook onder de pleura voor, dan spreekt men van subpleurlaal emfyseem. Wanneer er (grote) luchtblazen voorkomen spreekt men van bulleus emfyseem.




Emphysemateuze vrucht in de uterus
Een situatie die ontstaat door een intra-uterien met gasvorming gepaard gaand vervalsproces van een in de uterus gestorven vrucht. De bij de gasvorming betrokken micro-organismen zijn bijna altijd via de geopende crvix in de uterus terecht gekomen, maar haematogene infecties komen ook voor.




Empyeem
Ophoping van pus in een reeds bestaande (lichaams)holte. Bij pusophoping in een holte die nog niet aanwezig was, maar pas gevormd wordt in het verloop van en door een purulent onstekingsproces, spreekt men van een abces.




Encephalitis
Ontsteking van het hersenweefsel.




Leuko-encephalitis
Ontsteking van de witte stof van de hersenen.




Pan-encephalitis
Onsteking van zowel de witte als de grijze stof van de hersenen.




Polio-encephalitis
Ontsteking van de grijze stof van de hersenen.




Encephalomalacie
Malacie (verweking, vervloeiing) van hersenweefsel ten gevolge van colliquatienecrose.




Leuko-encephalomalacie
Malacie van de witte stof van het hersenweefsel.




Polio-encephalomalacie
Malacie van de grijze stof van het hersenweefsel.




Symmetrische encephalomalacie
Een bij lammeren voorkomende aandoening die gekenmerkt wordt door het symmetrisch optreden van malacie, vooral in de hersenstam. De aandoening wordt veroorzaakt door toxinen van Clostridium perfringens type D.




Encephalomyelitis
Ontsteking van hersenen en ruggemerg.




Demyeliniserende encephalomyelitis
Ontsteking van hersenen en ruggenmerg gepaard gaande met afbraak van myeline van zenuwvezels. Bekende voorbeelden zijn hondenziekte (ziekte van CarrÚ) en Visna, een vooral bij schapen voorkomende virusziekte.




Polio-encephalomyelitis
Ontsteking van de grijze stof van hersenen en ruggenmerg.




Encephalomyelitis enzootica suum
Een bij varkens voorkomende encephalomyelitis die veroorzaakt wordt door een enterovirus en vooral gekenmerkt wordt door hyperesthesie (overgevoeligheid voor prikkels), parese en convulsies. Bij biggen zijn de vesrchijnselen ernstiger dan bij oudere varkens. Bij volwassen varkens verloopt de ziekte meestal subklinisch. De ziekte is voor het eerst vastgesteld in Teschen, een districht in MoraviŰ in TsjechiŰ. Een milde vorm van de Teschense ziekte is bekend onder de naam ĺTalfan diseaseĺ, genoemd naar de in Wales voorkomende heuvel ĺTalfanĺ, waar een uitbraak werd vastgesteld. Synoniemen: Schweinelńhme en Teschense ziekte.




Encephalomyelopathie
Aandoening, welke dan ook, van hersenen en ruggenmerg.




Encephalopathie
Een hersenaandoening. Vaak wordt een degeneratieve aandoening bedoeld.




Bovine spongiform encephalopathy, BSE
Een ziekte, die vooral gekenmerkt wordt door:
1. Een lange incubatietijd.
2. Degeneratie van hersenweefsel gepaard gaande met vorming van vacuolen in de neuronen: spongiforme encephalopathie.
3. Het voorkomen van zenuwverschijnselen en bewegingsstoornissen.
4. Het ontbreken van een immuunrespons.
5. Progressief en fataal verloop.

Het is vrijwel zeker, dat BSE wordt veroorzaakt door de omzetting van normale prionen (bepaalde o.a. in de hersenen voorkomende eiwitten) in abnormale prionen en opslag hiervan in het hersenweefsel (een "prionziekte"). Deze omzetting zou in gang gezet worden door abnormale prionen. Bij het rund zou de opname van abnormale prionen bevattend beendermeel een belangrijke rol spelen. Synoniem: gekke koeienziekte.




Feline spongiform encephalopathy, FSE
Een aandoening die zowel klinisch als histopathologisch lijkt op de bovine spongiform encephalopathy (BSE). De belangrijkse klinische kenmerken zijn: progressief verlopende neurologische verschijnselen, bewegingsstoornissen en abnormaal gedrag. Histopathologisch wordt de aandoening vooral gekenmerkt door degeneratieve veranderingen van het centrale zenuwstelsel gepaard gaande met holtevorming, een beeld dat lijkt op dat bij BSE en andere spongiforme encephalopathieŰn.




Hepato-encephalopathie
Encephalopathie ten gevolge van ernstige verminderde leverfunctie, b.v. bij cirrhose of bij een portocavale shunt. Pathogenetisch komen vooral in aanmerking afbraakproducten van de stofwisseling en toxische stoffen uit het maagdarmkanaal die niet door de lever worden omgezet. Er moet hierbij vooral gedacht worden aan de optredende hyperammoniaemie.




Transmissible spongiform encephalopathies, TSEs
Een groep van hersenaandoeningen die gekenmerkt worden door:
- Een lange incubatietijd.
- Degeneratie van hersenweefsel gepaard gaande met vorming van vacuolen in de neuronen: spongiforme encephalopathie.
- Het voorkomen van zenuwverschijnselen en bewegingsstoornissen.
- Het ontbreken van een immuunrespons.
- Een progressief verloop.

Tot de TSEs behoren o.a. de Bovine Spongiform Encephalopathy (BSE) en scrapie bij schapen en geiten.

Volgens de meest gangbare hypothese worden TSEs veroorzaakt door prionen, ook wel infectieuze eiwitten genoemd.




Endarteriitis
Onsteking van de intima van een arterie. Bij een fibrineuze endarteriitis kan een belangrijk deel van de fibrine zijn neergeslagen door stolling van langsstromend bloed (thrombose) in plaats van door stolling van uit de bloedvaten getreden fibrinogeen. Om dit aan te geven spreekt men in dergelijke gevallen wel van thrombo-endarteriitis in plaats van endarteriits.




Endemie
Ziekte die slechts in een klein, meestal geografisch begrensd, gebied voorkomt. Synoniem: enzo÷tie.




Endocardiose
Een vooral bij oudere honden voorkomende knobbelige verdikking van de atrioventriculaire kleppen, meestal de linker, voornamelijk door nieuwvorming van bindweefsel. Ook degeneratie van in de kleppen aanwezig bindweefsel en afzetting van proteoglycanen en amylo´d kunnen erbij voorkomen. De aandoening kan oorzaak zijn van (linkszijdige) hart-insufficiŰntie (heart failure) ten gevolge van onvoldoende sluiting van de kleppen. Synoniemen: klepfibrose en klepsclerose.




Endocarditis
Onsteking van de intima van het hart. Bij een fibrineuze endocarditis is de in het proces aanwezige fibrine (of het grootste gedeelte ervan) in het algemeen ontstaan door stolling (thrombose) van fibrinogeen uit het langsstromende bloed en niet door stolling van uit de bloedvaten getreden fibrinogeen (zoals dat meestal het geval is bij fibrineuze ontstekingen in andere organen/weefsels). In feite is er dus bij een fibrineuze endocarditis in het algemeen sprake van twee processen (ontsteking plus thrombose). Om dit aspect van de ontstaanswijze van het proces aan te geven, spreekt men in dergelijke gevallen wel van thrombo-endocarditis.




Endocarditis chordalis
Ontsteking van de intima van de chordae tendineae.




Endocarditis parietalis
Ontsteking van de intima van de wand van het hart.




Endocarditis valvularis
Ontsteking van de intima van de hartkleppen.




Endocriene atrofie
Atrofie veroorzaakt door het ontbreken van hormonale prikkels. Bij aandoeningen van de hypofyse kan b.v. atrofie optreden van de hypofyse afhankelijke endocriene klieren.




Endometriose
Het voorkomen van endometrium weefsel, met name endometriumklieren, buiten het endometrium. Er komen twee vormen voor: endometriosis interna en endometriosis externa. Bij de eerste vorm ligt het ectopische endometriumweefsel in de uteruswand. Bij de tweede vorm bevindt het zich buiten de uterus. Endometriosis interna wordt ook wel adenomyosis uteri genoemd. De aandoening is vooral bekend bij de hond.




Endometritis
Ontsteking van het endometrium.




Endometritis caseosa
Exsudatieve ontsteking van het endometrium die gepaard gaat met uitgebreide verkazing (necrose) en voor kan komen bij tuberculose, vooral bij het rund.




Endometriumcarcinomen
Kwaadaardige tumoren uitgaande van endometrium epitheel. Ze komen bij de huisdieren, met uitzondering van het rund en het konijn, zelden voor.




Endotheliotroop
Affiniteit voor endotheel van bloed- en lymfevaten. Het begrip wordt vooral gebruikt met betrekking tot diverse agentia, b.v. virussen.




Endotoxine shock
Een bij het varken voorkomend shockachtig ziektebeeld dat wordt veroorzaakt door endotoxinen afkomstig van enterotoxische Escherichia coli. De ziekte komt vooral voor rond de speenleeftijd. Biggen met speenshock zijn plotseling ziek geworden, schreeuwen, vallen om, maken krampachtige bewegingen en sterven. Synoniem: speenshock.




Enophthalmus
Een naar achteren verplaatsing van de oogbol. De oogbol ligt hierbij te diep in de orbita. Het tegengestelde is exophthalmus.




Entamoebe histolytica
Een protozo die bij de hond en de kat colitis kan veroorzaken: amoebiasis.




Enteritis
Ontsteking van de darm, waarbij in het algemeen wordt bedoeld van het darmslijmvlies. De term wordt vooral gebruikt voor de dunnen darm, maar strikt genomen mag de term voor het gehele darmkanaal, dus ook voor de dikke darm, worden gebruikt.




Eosinofiele enteritis
Enteritis, die vooral gekenmerkt wordt door het voorkomen van eosinofiele polymorfkernige leukocyten.




Haemorrhagische enteritis
Enteritis, die gekenmerkt wordt door het uittreden van erythrocyten uit de bloedvaten.




Pseudomembraneuze enteritis
Enteritis die gekenmerkt worden door het voorkomen van pseudomembranen. Dat zijn uit fibrine en/of necrose betaande "membranen".




Enterocutane fistel
Een fistel tussen de darmen en de huid of het lichaamsoppervlak.




Infectieuze enterohepatitis bij kalkoenen
Een door de protozo÷n Histomonas meleagridis veroorzaakte ziekte die vooral gekenmerkt. De belangrijkste klinische verschijnselen zijn lusteloosheid, afhangende vleugels, donkerrode (cyanotische) verkleuring van de kophuid en geelverkleuring van de ontlasting. Vooral bij jonge dieren kan de ziekte zeer acuut verlopen. Ze kunnen reeds enkele dagen na het optreden van de eerste verschijnselen sterven. Vooral oudere dieren zijn meestal wat langer ziek en kunnen vermageren voordat ze sterven. De belangrijkste pathologisch-anatomische bevindingen zijn ulcereus-necrotiserende ontstekingen van de caeca en ontstekingshaarden in de lever. De ontstekingen van de caeca kunnen doorbreken naar de buikholte met als mogelijke gevolgen peritonitis en ontstekingen van andere in de buikholte voorkomende organen. De ziekte kan op elke leeftijd voorkomen, maar wordt vooral aangetroffen bij jonge kalkoenen. Er wordt wel aangegeven vooral rond 12 weken. De incubatieperiode is ongeveer 7-12 dagen. De ziekte wordt ook wel blackhead genoemd naam heeft betrekking op de donkerrode (cyanotische) kleur van de kophuid die weliswaar niet specifiek maar toch wel karakteristiek is voor deze ziekte. De incubatieperiode is ongeveer 7-12 dagen. De ziekte wordt ook wel blackhead genoemd vanwege de donkerrode (cyanotische) kleur van de kophuid die weliswaar niet specifiek maar toch wel karakteristiek is voor deze ziekte. Ook kippen zijn gevoelig voor Histomonas meleagridis, maar veel minder dan kalkoenen. Histomoniasis met duidelijke klinische verschijnselen komt bij kippen niet vaak voor. Synoniemen: blackhead en histomoniasis bij kalkoenen.




Enterolieten
Darmstenen.




Enteropathie
Aandoening van de darm(en).




Gluten-gevoelige enteropathie
Aandoening van de dunne darm ten gevolge van overgevoeligheid van gluten, een uit de eiwitten gliadenine en glutenine bestaande substantie die voorkomt in diverse granen, vooral in tarwe. Bij de Ierse Setter komt een erfelijke gluten-gevoelige enteropathie voor die autosomaal recessief overerft en vooral gekenmerkt wordt door groeivertraging, gewichtsverlies, chronische diarree, verkorting van de darmvilli en verhoogde darmpermeabiliteit voor een aantal producten. De eerste verschijnselen treden meestal op tussen een paar maanden en een half jaar. Er zijn aanwijzingen dat gluten gevoelige-enteropathie ook bij het paard voor kan komen.




Enterotoxaemie door Clostrdium perfringens bij het varken
Een meestal door type C van Clostridium perfringens veroorzaakt ziektebeeld dat vooral gekenmerkt wordt door een plotseling optredende bloederige diarree bij biggen van enkele dagen oud ten gevolge van een haemorrhagisch-necrotiserende enteritis van de dunne darm. Vaak zijn de faeces schuimig. In iets minder acuut verlopende gevallen kunnen de dunne faeces bruin gekleurd zijn. Het kan echter ook voorkomen dat het ziektebeeld zo acuut verloopt dat de big al dood is voordat diarree opgetreden zou zijn. Bij iets oudere biggen (1 tot 4 weken) komt soms een min of meer chronisch beeld voor. Hierbij kunnen de faeces grijs en deegachtig zijn, terwijl de biggen kunnen vermageren. De morbiditeit zou gemiddeld ongeveer 50% bedragen. Het sterftepercentage van de zieke biggen zou bijna 100 zijn. Clostridium perfringens enterotoxaemie kan ook veroorzaakt worden door type A en type B. Het door type B veroorzaakte ziektebeeld komt (grotendeels) overeen met het "type C ziektebeeld". De door types A en C veroorzaakte ziektebeelden vertonen wel duidelijke verschillen. Type A komt ook voor bij wat oudere biggen, ook bij gespeende biggen. Ook bij type A komt een enteritis voor, maar die is meestal minder haemorrhagisch dan bij type C met als gevolg dat de diarree minder bloederig is. De mortaliteit is bij type A duidelijk lager dan bij type C.




Enterse ziekte
Een in 1952 door H.A. Zwijnenberg, directeur van het Openbaar Slachthuis in Enschede, Nederland, voor het eerst beschreven ziekte die gekenmerkt was door een afwijkende vleeskwaliteit en die in de begin jaren vijftig van de vorige eeuw in toenemende mate werd waargenomen, zowel bij slachtingen in het abattoir als bij huisslachtingen. Het vlees was bleek, zacht (slap, pasteus) en vochtig. Omdat dit verschijnsel vooral voorkwam in Enter, een plaatsje in Overijssel in Nederland, en omgeving gaf Zwijnenberg het de naam ĺEnterse ziekteĺ. Het beeld van het afwijkende vlees is na Zwijnenbergĺs publicatie ook in het buitenland beschreven. Aanvankelijk sprak men wel van spierdegeneratie, maar later werd de term PSE (pale soft exudative) ingevoerd. Gebleken is dat de aandoening samenhangt met de gevoeligheid voor stress. Belasting van stress-gevoelige varkens kan niet alleen leiden tot PSE vlees, maar ook tot de dood. Bij onderzoek bij op de tredmolen belaste dieren bleek dat bij stress-gevoelige varkens diverse veranderingen kunnen optreden die niet of in mindere mate voorkomen bij normale varkens. EÚn van die veranderingen is een sterke stijging van de spiertemperatuur. Bij voortgezet onderzoek bleek er een verband te bestaan tussen het ontstaan van PSE vlees en halothaan-overgevoeligheid. De genoemde stijging van de spiertemperatuur was samen met de bij de mens geconstateerde maligne hyperthermie na gebruik van halothane reden om bij het varken de term ĺmalignant hyperthermiaĺ voor te stellen. Enterse ziekte, maligne hyperthermie, pale soft exudative (PSE) pork en porcine stress syndrome zijn synoniemen voor dezelfde aandoening.




Entropion
Naar binnen omkrullen van de oogleden.




Enuresis
Onvermogen om de urine op te houden. Synoniem: Incontinentia urinae.




Enzo÷tie
Ziekte die slechts in een klein, meestal geografisch begrensd, gebied voorkomt. Synoniem: endemie.




Enzo÷tische abortus bij het schaap
Een door Chlamydia psittaci veroorzaakte abortus, (vooral) voorkomend in de laatste maand van de graviditeit. Bedsonia en Myagawanella zijn oudere namen voor hetzelfde micro-organisme. De besmetting vindt meestal aŰrogeen plaats, maar er kunnen ook dekinfecties voorkomen. Behalve abortus kunnen er nog andere afwijkingen/symptomen voorkomen, te weten: doodgeboorte, geboorte van zwakke lammeren, endometritis, placentitis en retentio secundinarum. Na intra-uteriene sterfte van de vrucht treedt er niet altijd abortus op. Bij het in de uterus aanwezig blijven van de dode vrucht kan de ooi snel in conditie achteruitgaan en zelfs doodgaan. Synoniemen: Bedsonia-abortus bij het schaap, Chlamydia-abortus bij het schaap en Myagawanella-abortus bij het schaap.




Enzo÷tische ataxie bij schaap en geit
Een bij pasgeboren jonge lammeren voorkomende aandoening die gekenmerkt wordt door demyelinisatie en degeneratieve veranderingen van axonen gepaard, vooral in het ruggenmerg. De aandoening wordt veroorzaakt door een Cu-deficiŰntie bij het moederdier. Op grond van de leeftijd van de lammeren waarbij de klinische verschijnselen worden waargenomen onderscheidt men de volgende twee vormen:
1. Een congenitale vorm, ook wel neonatale vorm genoemd. Hierbij worden de eerste verschijnselen al vlak na de geboorte waargenomen.
2. Een "vertraagde vorm". Bij deze vorm lijken de lammeren bij de geboorte normaal. De eerste verschijnselen worden pas gezien tussen ongeveer ÚÚn en zes maanden na de geboorte.

Synoniem: Swayback bij schaap en geit.




Enzo÷tische boviene arthrogrypose
Een vorm van arthrogrypose, die wordt veroorzaakt door een intra-uteriene infectie met het Akabane virus. Men spreekt dan ook wel van de ziekte van Akabane. Meestal gaat deze vorm van arthrogrypose gepaard met hydranencephalie.




Enzo÷tische boviene leukose
Gegeneraliseerde leukose die wordt veroorzaakt door een virus en voorkomt bij volwassen runderen, vooral op een leeftijd tussen 4 en 8 jaar.




Enzo÷tische calcinose
Een vooral bij het rund voorkomende aandoening, die wordt gekenmerkt door uitgebreide metastatische verkalking en endostale (in een aantal gevallen ook periostale) beennieuwvorming in het gehele skelet. De aandoening wordt (meestal) veroorzaakt door langdurige opname van bepaalde planten, o.a. goudhaver, die een stof bevatten met de werking van bepaalde vitamine D-metabolieten. Langdurige opname van deze stof kan hypercalciaemie en hyperfosfataemie veroorzaken met als mogelijk gevolgen calcinose en beennieuwvorming.




Enzo÷tische pneumonie bij het varken
Een vooral bij biggen en mestvarkens voorkomende ziekte. De primaire oorzaak is Mycoplasma hyopneumoniae. Echter, vaak wordt het ziektebeeld verergerd door secundaire infecties en ongunstige omgevingsfactoren. De secundaire infecties betreffen diverse bacteriesoorten, Ascaris suum larven en mogelijk ook virussen. De belangrijkste ongunstige omgevingsfactoren zijn: onvoldoende ventilatie, een hoog ammoniakgehalte, een stoffige omgeving en weinig ruimte per big. De ziekte wordt vooral gekenmerkt door hoesten; dat kan tot acht weken of meer aanhouden. Andere kenmerken zijn (broncho)pneumonie (vooral in de voorbuitendelen van de longen), groeivertraging en een slechte voederconversie. Soms komt er geringe koorts en een geringe anorexie voor. De morbiditeit is vaak hoog, echter de klinische verschijnselen kunnen minimaal zijn en de mortaliteit is laag. De infectie zou (bijna altijd) aŰrogeen of via direct contact tot stand komen. De incubatieperiode is tot dagen. Synoniem: biggengriep.




Enzo÷tische steriliteit bij het rund
Een door Campylobacter fetus subspecies venerealis (voorheen Vibrio fetus subspecies venerealis genoemd) veroorzaakte aandoening bij vrouwelijke runderen die vooral gekenmerkt wordt door vroeg embryonale sterfte, voorbijgaande steriliteit en soms abortus. Besmette stieren vertonen geen symptomen. Synoniemen: Campylobacter steriliteit en Vibrio (oude naam) steriliteit.




Eosinofiel granuloom bij de kat
Synoniem van collagenolytisch granuloom bij de kat.




Eosinofiel granuloom bij Siberische Huskies
Een vooral in de mondholte voorkomende ontstekingshaard die histologisch gekenmerkt worden door collageennecrose omgeven door granulomateus ontstekingsweefsel met o.a. polymorfkernige eosinofiele ontstekingscellen. Er zijn aanwijzingen dat een genetische achtergrond een rol speelt.




Eosinofiel granuloom complex bij de kat
Een groep van aandoeningen waarbij in de mond en/of de huid ontstekingshaarden voorkomen die waarschijnlijk zijn ontstaan ten gevolge van een allergische reactie die histologisch met uitzondering van het indolente ulcus vooral gekenmerkt worden door het voorkomen van polymorfkernige eosinofiele leukocyten. Bij het indolente ulcus kunnen ook wel eosinofielen worden aangetroffen, maar als dat het geval is, dan toch veel minder. Men onderscheidt 3 aandoeningen die behoren tot het eosinofiele granuloom complex:
1. Het indolente ulcus, ook wel ulcus rodens en eosinofiel ulcus genoemd.
2. De eosinofiele plaque.
3. Het collagenolytisch granuloom, ook wel het eosinofiele granuloom genoemd.




Eosinofiel ulcus bij de kat
Een tot het eosinofiele granuloom complex (zie aldaar) behorende aandoening die vooral voorkomt op de bovenlip. De aandoening kan ook voorkomen op de onderlip, in de mondholte en op diverse plaatsen van de huid. Eosinofiele ulcera kunnen op zeer uiteenlopende leeftijd voorkomen; er is wel aangegeven van 9 maanden tot 9 jaar. Synoniemen: indolent ulcus bij de kat en ulcus rodens bij de kat.




Eosinofiele enteritis
Enteritis, die vooral gekenmerkt wordt door het voorkomen van eosinofiele polymorfkernige leukocyten.




Eosinofiele myositis van de kauwspieren
Een bij de Duitse herder voorkomende ontsteking van de kauwspieren die vooral gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van veel polymorfkernige eosinofiele leukocyten. Er zijn sterke aanwijzingen dat de esosinofiele myositis een auto-immuunziekte is. Het is een aanvalsgewijze meestal beiderzijds voorkomende aandoening.




Eosinofiele ontsteking
Ontsteking, die vooral gekenmerkt wordt door het voorkomen van eosinofiele polymorfkernige leukocyten.




Eosinofiele plaque bij de kat
Een tot het eosinofiele granuloom complex (zie aldaar) behorende aandoening die vooral voorkomt aan de binnenkant van de dijen, aan de ventrale zijde van de buik en in de liesstreek. Op andere plaatsen van de huid en in de mondholte komt de aandoening zelden voor. Eosinofiele plaques komen vooral voor tussen 2 en 5 jaar.




Epicarditis
Ontsteking van het epicard. Deze term wordt gebruikt als alleen het epicard ontstoken is. Is tevens het pericard ontstoken, dan spreekt men van pericarditis en niet van pericarditis en epicarditis. Het epicard wordt overigens ook wel het viscerale blad van het pericard genoemd.




Epidemie
Ziekteuitbraak die gekenmerkt wordt door een snelle verspreiding, gevolgd door een daling van het aantal zieke dieren. Synoniem: epizo÷tie.




Epidemiologie
De wetenschap die zich vooral bezighoudt met de bestudering van de frequentie van voorkomen en de verspreiding van ziekten en de factoren die daar invloed op hebben.




Epidermatitis interdigitalis contagiosa
Een bij het schaap voorkomende acute tot chronische ontsteking van de tussenklauwhuid met als belangrijkste oorzaak infectie met Dichelobacter nodosus (voorheen Bacteroides nodosus). Daarnaast kunnen ook andere bacteriŰn, o.a. Fusobacterium necrophorum, en onhygiŰnische omstandigheden een rol spelen. De aandoening kan heftige kreupelheid veroorzaken. Synoniemen: contagieuze interdigitale epidermatitis en rotkreupel.




Exsudatieve epidermitis
Een vooral bij jonge biggen (1-6) weken voorkomende gegeneraliseerde dermatitis die gekenmerkt wordt door het voorkomen van korsten die bestaan uit ingedroogd exsudaat, talg en uit de omgeving opgenomen vuil (exsudatieve epidermitis). De belangrijkste oorzaak is Staphylococcus hyicus (ook wel S. hyos genoemd). Deze bacterie zou echter niet in staat zijn de intacte huid in te dringen. Meestal wordt het optreden van smeerwrang voorafgegaan door huidbeschadigingen, b.v. schaafwonden. Bij oudere biggen komt een meer gelokaliseerde vorm van exsudatieve epidermitis voor die smeerpokken wordt genoemd. Synoniemen: dermatitis crustosa, greasy pig disease, roetbig, smeerpokken en smeerwrang.




Epidermolysis bullosa
Een bij collies en Shetlandse herders en bij South Dorset Down schapen voorkomende aangeboren erfelijke huidaandoening die gekenmerkt wordt door het voorkomen van epidermale vesiculae en bullae, korsten, erosies en ulcera. Bij de hond komen de afwijkingen vooral voor aan de neus, poten en staartpunt. Bij het schaap (vooral) op de plaatsen waar zich geen wol bevindt. Bij het schaap kan epidermolysis bullosa ook in de mond voorkomen.




Epididymitis
Ontsteking van de epididymis. Infectieuze epidimytiden zijn vaak het gevolg van dekinfecties. Er zijn talrijke micro-organismen die epididymitis kunnen veroorzaken.




Epilepsie
Het is niet mogelijk een algemeen aanvaarde definitie van epilepsie (ook wel epileptiforme aanvallen genoemd) te geven. De in de literatuur vermelde definities van epilepsie lopen nogal uiteen. In veel definities wordt aangegeven, dat het een paroxismaal (aanvalsgewijs) optredende stoornis van het centrale zenuwstelsel is die het gevolg is van een tijdelijke verandering van de elektrische activiteit van de hersenen. Veel voorkomende kenmerken van epileptiforme aanvallen zijn verwardheid, bewustzijnsverlies, krampen, gedragsstoornissen en stoornissen van het autonome zenuwstelsel. Als de epileptiforme aanvallen langer duren dan spreekt men van een status epilepticus, een term die ook wel gebruikt wordt bij het kort na elkaar optreden van aanvallen zonder dat tussen de aanvallen de normale situatie volledig is hersteld. Mede afhankelijk van de definitie van status epilepticus is het niet altijd mogelijk een "cluster epilepsie" (een ernstige vorm van epilepsie waarbij clusters van epileptiforme aanvallen voorkomen) te onderscheiden van status epilepticus. Bovendien kan een cluster epilepsie overgaan in een status epilepticus. Epilepsie kan worden onderscheiden in primaire (idiopathische) en secundaire (symptomatische) epilepsie. Bij de eerste vorm zijn geen aandoenigen vastgesteld die de epileptiforme aanvallen  kunnen verklaren, bij de tweede wel, b.v. hersenbeschadiging, hersentumoren en bepaalde endocriene stoornissen. Primaire epilepsie komt vooral voor bij de hond. Een erfelijke aanleg is aangetoond. De wijze van overerving is heterogeen.




Epiphora
Tranenvloed, overmatige traanuitscheiding. Dit wordt meestal veroorzaakt door afsluiting van de nasolacrimale ductus.




Epiphysiolysis
Loslating van de epifyse van de diafyse ten gevolge van een afwijking ter plaatse van de epifysairschijf.




Epiphysiolysis capitis femoris
Een vooral bij varkens voorkomende aandoening waarbij het caput femoris is afgebroken ter plaatse van de epifysairschijf die is gelegen op de grens van het caput femoris en de rest van de femur.




Epistaxis
Neusbloeding. Strikt genomen duiden de termen epistaxis en neusbloeding alleen op die gevallen waarbij het bloed uit de neus zelf afkomstig is. In het algemeen worden ze echter gebruikt onafhankelijk van de bron van het bloed, dus ook voor die gevallen waarbij het bloed afkomstig is van andere, met de neusholte in verbinding staande, organen of orgaangedeelten.




Epithel(i)o´de cel
Een morfologisch op een epitheelcel lijkende cel die voorkomt bij bepaalde ontstekingsprocessen, vooral bij tuberculose en paratuberculose. Epithel(i)o´de cellen zijn geen epitheelcellen. Het zijn mesenchymale fagocytaire cellen die behoren tot de histiocyten.




Epitheliogenesis imperfecta linguae
Een bij het rund voorkomende aandoening, waarbij de hoornpapillen van de tong afwezig of onvoldoende ontwikkeld zijn. Waarschijnlijk is het een recessief erfelijke aandoening. De aandoening is beschreven bij FH runderen. Synoniem: gladde tong.




Epitheliogenesis imperfecta neonatorum
Het plaatselijk ontbreken van de epidermis ten gevolge van een ontwikkelingsstoornis. Behalve in de huid kan de afwijking ook voorkomen in de mondholte en in de oesofagus. De aandoening komt als recessief erfelijke afwijking voor bij hond, kat, paard, rund en varken. Synoniem: aplasia cutis.




Intracutaan verhoornend epithelioom
Goedaardige van huidepitheel uitgaande tumor die met keratine (hoorn) gevulde cysten bevat en in het algemeen via een porus "opent"  in de buitenwereld.




Epitheliotroop
Affiniteit voor epitheliaal weefsel. Het begrip wordt vooral gebruikt met betrekking tot diverse agentia, b.v. virussen.




Epizo÷tie
Ziekteuitbraak die gekenmerkt wordt door een snelle verspreiding, gevolgd door een daling van het aantal zieke dieren. Synoniem: epidemie.




Epizo÷tische abortus bij het rund
Abortus, die voorkomt in CaliforniŰ (USA) en waarschijnlijk veroorzaakt wordt door Chlamydia spp.




Epulis
Tumorachtige woekering van het tandvlees. Epuliden komen vooral voor aan de gingiva (het tandvlees) van honden.




Equine arteritis virus (EAV) infectie
Infectie met een virus, dat behoort tot de familie van de Arteriviridae en ontstekingen van de voorste luchtwegen en abortus kan veroorzaken. Voorheen werd het virus ingedeeld bij de togavirussen.




Equine automutilatie syndroom
Een syndroom dat gekenmerkt wordt door het zichzelf letsels toebrengen, vooral huidletsels. Een voorbeeld is het flankbijten.




Equine ehrlichial colitis
Een door Ehrlichia risticii veroorzaakte ziekte die vooral gekenmerkt wordt door sloomheid, anorexie, koliek en koorts, eventueel gevolgd door diarree. Als complicaties worden hoefbevangenheid en abortus genoemd.
Synoniemen: acute equine diarrhoeal syndrome, acute equine ehrlichial enteritis, equine monocytic ehrlichiosis (EME), Mid-Atlantic diarrhoeal disease, Potomac horse fever, Potomac valley fever




Equine granulocytic ehrlichiosis (EGE)
Een door Ehrlichia equi veroorzaakte ziekte met als belangrijkste klinische verschijnselen anorexie, koorts, depressie, oedeem aan de benen, bloedinkjes, icterus en orchitis. Bij bloedonderzoek kunnen leucopenie, thrombocytopenie en anaemie worden vastgesteld en in eosinofie en neutrofiele granulocyten kunnen intracytoplasmatische insluitlichaampjes worden aangetroffen. De belangrijkste histopathologische bevinding is een vasculitis.




Equine herpes viruses (EHVs)
Bij het paard voorkomende herpes virussen, die vooral belangrijk zijn als verwekkers van rhinopneumonie. Er worden verschillende typen onderscheiden. Deze zijn genummerd: equine herpes virus 1 (EHV-1) etc. De rhinopneumonie wordt vooral veroorzaakt door EHV-1, maar kan ook worden veroorzaakt door EHV-4. EHV-1 werd voorheen ingedeeld in subtype 1 en subtype 2. EHV-4 is het vroegere subtype 2.




Equine monocytic ehrlichiosis (EME), equine ehrlichial colitis
Een door Ehrlichia risticii veroorzaakte ziekte die vooral gekenmerkt wordt door sloomheid, anorexie, koliek en koorts, eventueel gevolgd door diarree. Als complicaties worden hoefbevangenheid en abortus genoemd. Synoniemen: acute equine diarrhoeal syndrome, acute equine ehrlichial enteritis, equine ehrlichial colitis, Mid-Atlantic diarrhoeal disease, Potomac horse fever, Potomac valley fever




Ergometrine
Een door Claviceps purpurea geproduceerd alkalo´d dat samen met een aantal andere door deze schimmel gevormde alkalo´den bij diverse diersoorten ergotisme kan veroorzaken. Synoniem: ergonovine.




Ergonovine
Een door Claviceps purpurea geproduceerd alkalo´d dat samen met een aantal andere door deze schimmel gevormde alkalo´den bij diverse diersoorten ergotisme kan veroorzaken. Synoniem: ergometrine.




Ergotamine
Een door Claviceps purpurea geproduceerd alkalo´d dat samen met een aantal andere door deze schimmel gevormde alkalo´den bij diverse diersoorten ergotisme kan veroorzaken.




Ergotisme
Vergiftiging door toxinen afkomstig van de schimmel Claviceps purpurea. Het is dus een mycotoxicose. Claviceps purpurea kan voorkomen op granen en grassen. De toxinen die ergotisme veroorzaken zijn bepaalde alkalo´den, o.a. ergotamine, ergometrine (ergonovine) en ergotoxine. Ergotisme is vooral bekend bij het rund. Men onderscheidt bij deze diersoort een acute en een chronische vorm. De belangrijkste verschijnselen van acuut ergotisme zijn sufheid, inco÷rdinatie en convulsies. De chronische vorm wordt vooral gekenmerkt door kreupelheid, necrose van de distale uiteinden van de extremiteiten, de punt van de staart en de oorpunten. Synoniemen: claviceps purpurea vergiftiging, moederkoren vergiftiging.




Ergotoxine
Een mengsel van een aantal alkalo´den dat geproduceerd kan worden door Claviceps purpurea en dat samen met een aantal andere door deze schimmel gevormde alkalo´den bij diverse diersoorten ergotisme kan veroorzaken.




Erosie
Oppervlakkig defect, met name van slijmvliezen.




Erysipelas
Een vooral bij het varken voorkomende besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door Erysipelothrix rhusiopathiae. De belangrijkste symptomen/afwijkingen die bij het varken kunnen voorkomen zijn: koorts, sepsis, "Backsteinblattern", endocarditis met daardoor veroorzaakte circulatiestoornissen, (poly)arthritis met daardoor veroorzaakte bewegingsstoornissen, abortus, verminderde vruchtbaarheid bij vrouwelijke varkens en (tijdelijke) vermindering van de spermakwaliteit. De incubatieperiode bedraagt 2 tot 4 dagen. Synoniemen: Erysipelothrix rhusiopathiae infectie, vlekziekte.




Erysipelothrix rhusiopathiae infectie
Een vooral bij het varken voorkomende besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door Erysipelothrix rhusiopathiae. De belangrijkste symptomen/afwijkingen die bij het varken kunnen voorkomen zijn: koorts, sepsis, "Backsteinblattern", endocarditis met daardoor veroorzaakte circulatiestoornissen, (poly)arthritis met daardoor veroorzaakte bewegingsstoornissen, abortus, verminderde vruchtbaarheid bij vrouwelijke varkens en (tijdelijke) vermindering van de spermakwaliteit. De incubatieperiode bedraagt 2 tot 4 dagen. Synoniemen: erysipelas en vlekziekte.




Erysipelothrix rhusiopathiae, Erysipelothrix insidiosa
Erysipelothrix rhusiopathiae is een Gram-positieve staafvormige bacterie die op allerlei plaatsen kan voorkomen, b.v. in de mest, de gier en in de grond. De bacterie is vooral bekend als verwekker van vlekziekte (erysipelas) bij het varken en kan ook voorkomen in gezonde varkens. Behalve bij het varken kan de bacterie ook infecties veroorzaken bij de hond, het rund en het schaap. Voorheen heette de bacterie Erysipelothrix insidiosa.




Erytheem
Rode verkleuring van de huid veroorzaakt door vaatverwijding (vooral nerwijding van capillairen). Er zijn talrijke oorzaken van erytheem. Een duidelijk voorbeeld is het erytheem bij varkens met het septicaemische beeld van vlekziekte.




Erythrocythaemie
Abnormaal hoog aantal erythrocyten per volume-eenheid bloed. Synoniem: polycythaemie




Erythrocytofagie, erythrofagie
Fagocytose van erythrocyten door macrofagen. Het wordt vooral gezien in de milt en in de lymfknopen.




Erythropenie, erythrocytopenie
Een tekort aan erythrocyten in het bloed.




Erythro´de hyperplasie van het beenmerg
Toename van het aantal cellen van de erytro´de reeks in het beenmerg ten koste van het aantal vetcellen. Erytro´de hyperplasie van het beenmerg is meestal het gevolg van hypoxie, b.v. door bloedverlies of hemolytische anemie.




Erythro´de leukose
Leukose met vooral voorstadia van erythrocyten.




Escherichia coli diarree bij biggen
Een bij pasgeboren biggen voorkomende diarree die veroorzaakt kan worden door een aantal serotypen van enterotoxinen producerende Escherichia coli. De biggen worden meestal binnen 12 tot 24 uur na de geboorte ziek. De diarree is waterig en geelwit, de biggen hebben een ruw haarkleed, zijn sloom, vaak rillen ze en ze worden mager. Voorafgaande aan de diarree kan een opgezette buik worden waargenomen ten gevolge van ophoping van darmgassen. In niet-behandelde tomen kan de sterfte oplopen tot 100%. Een zeer groot percentage (er wordt wel aangegeven 80%) van de biggendiarree wordt veroorzaakt door E. coli. Synoniemen: coli-enterotoxicose, coli-diarree en geboortediarree.




Escherichia coli infecties
Infecties met Escherichia coli komen bij diverse diersoorten voor, vooral bij jonge dieren en worden meestal colibacillose genoemd. Er worden twee hoofdvormen van colibacillose onderscheiden die vooral voorkomen bij jonge dieren:
A. Systemische oftewel septichemische colibacillose.
Dit is een acuut of peracuut verlopende met sepsis (coli-sepsis) gepaard gaande vorm. Behalve sepsis kunnen hierbij ook ontstekingen van diverse organen voorkomen.
B. Een enterale oftewel enterotoxische vorm die wordt veroorzaakt door enteropathogene E. coli-stammen en vooral gekenmerkt wordt door meestal heftige diarree.

Behalve als oorzaak van colibacillose is Escherichia coli o.a. bekend als ÚÚn van de vele mogelijke verwekkers van mastitis bij het rund (coli-mastitis, coliforme mastitis) en als oorzaak van de ziekte van Hjńrre bij vogels (zie aldaar). Daarnaast kan E. coli een rol spelen bij diverse min of meer multifactoriŰle aandoeningen.

Het genus Escherichia is een Gram-negatief staafje, dat is genoemd naar de Duitse kinderarts Theodor Escherich (1857-1911), die in 1885 deze bacterie voor het eerst beschreef.




Ethanolintoxicatie
Een bij honden en katten sporadisch voorkomend ziektebeeld dat vooral gekenmerkt wordt door respiratoire depressie, hypothermie en ataxie. Bij ernstige gevallen van ethanolvergiftiging kunnen de dieren sterven.




Etiologie
Leer van de ziekteoorzaken. De term wordt ook wel gebruikt voor de oorzaak zelf.




Etiologische diagnose
Een diagnose waarbij in de naamgeving van een ziekte of aandoening de oorzaak is opgenomen. Bijvoorbeeld: Listeria encephalitis.




Europese varkenspest
Een zeer besmettelijke varkensziekte, die wordt veroorzaakt door een pestivirus, dat behoort tot de familie Flaviviridae. De ziekte wordt vooral gekenmerkt door bloedingen in talrijke organen. Ook worden vaak hersenverschijnselen waargenomen. Mede door secundaire bacteriŰle infecties kunnen fibrineuze pneumonie en necrotiserende enteritis voorkomen. In het begin van de ziekte komt vaak leukopenie voor. Intra-uteriene infecties kunnen leiden tot aangeboren afwijkingen bij de biggen, o.a. cerebellaire hypoplasie. Synoniem: klassieke varkenspest.




Euryblepharon
Te wijde oogspleten.




Eventratio
Het uitpuilen van buikorganen door een breukpoort, b.v. bij een navelbreuk, of bij andere defecten van de buikwand, en bij defecten van het middenrif.




Exanthema co´tale bij het paard
Een infectieuze pustuleuze vulvovaginitis en balanoposthitis die worden veroorzaakt door een herpesvirus. De vaginitis komt vooral voor in het vestibulum vaginae.




Exanthema co´tale bij het rund
Een door het boviene herpesvirus 1 (BHV1) veroorzaakte ontsteking van de glans penis (balanitis) en de binnenkant van het preputium (posthitis). Het is meestal een dekinfectie. Er bestaan twee subtypes van BHV1, subtype BHV1.1 en subtype BHV1.2. Deze twee subtypen zijn nauw aan elkaar verwant. Ze kunnen van elkaar worden onderscheiden met behulp van monoklonale antistoffen. IPB wordt vooral veroorzaakt door het subtype BHV1.1, maar kan ook door BHV1.2 veroorzaakt worden. Synoniem: infectieuze pustuleuze balanoposthitis (IPB) bij het rund.




Exanthema co´tale bij rund, schaap en geit
Een met vorming van pustulae gepaard gaande vulvovaginitis die wordt veroorzaakt door het boviene herpesvirus 1 (BHV1). Er bestaan twee subtypes van BHV1, subtype BHV1.1 en subtype BHV1.2. Deze twee subtypes zijn nauw aan elkaar verwant. Ze kunnen van elkaar onderscheiden worden met behulp van monoklonale antistoffen. IPV wordt vooral veroorzaakt door subtype BHV1.2, maar kan ook door BHV1.1 veroorzaakt worden. De aandoening, die meestal als een dekinfectie optreedt, komt vooral voor in het vestibulum vaginae en de vulva. De eigenlijke vagina en het caudale gedeelte van de cervix kunnen ook ontstoken zijn. Als het virus in het lumen van de uterus terechtkomt (b.v. bij kunstmatige inseminatie met virus bevattend sperma) kan ook de uterus aangetast worden. Bij mannelijke runderen kan het IPV-virus een balanoposthitis veroorzaken. Synoniem: infectieuze pustuleuze vulvovaginitis (IPV) bij rund, schaap en geit.




Excentrische harthypertrofie
Hypertrofie van de spierwand van het hart gepaard gaande met een relatieve verwijding van het lumen, d.w.z. als er alleen sprake was van hypertrofie, zoals dat het geval is bij de concentrische hypertrofie, zou men een nauwer lumen hebben verwacht. De excentrische hypertrofie bestaat dus eigenlijk uit twee componenten, hypertrofie en dilatatie. Deze kunnen min of meer tegelijkertijd in het verloop van het proces van de excentrische hypertrofie optreden. Het beeld van de excentrische hypertrofie kan echter ook ontstaan door dilatie van een hart met concentrische hypertrofie.




Excoriatie
Oppervlakkig defect van de huid met verlies van de epidermis, waardoor het corium (de lederhuid) bloot ligt.




Exfoliatieve dermatitis
Met afschilfering gepaard gaande dermatitis.




Exocriene pancreas insufficiŰntie (EPI)
EPI is meestal het gevolg van een juveniele pancreasatrofie (zie aldaar) of van een chronische (recidiverende) pancreatitis. Klinisch wordt de aandoening gekenmerkt door vermagering, abnormaal veel eten (polyfagie), eventueel gepaard gaande met coprofagie en andere vormen van pica, productie van veel waterdunne tot slecht verteerde leemachtige (veel) vet bevattende faeces. De aanwezigheid van (veel) vet in de faeces wordt veroorzaakt door verminderde digestie (maldigestie) en verminderde absorptie (malabsorptie) van vetten.




Exophthalmus
Een naar voren verplaatsing van de oogbol (uitpuiling van de oogbol). Het tegengestelde is enophthalmus.




Exostose
Periostale beenwoekering.




Exspiratoire stridor
Stridor tijdens de exspiratie (uitademing); wordt (meestal) veroorzaakt door vernauwing van de diepere luchtwegen, b.v. de bronchiŰn.




Exsudaat
Ontstekingsvocht. Troebel eiwitrijk vocht, al of niet vermengd met ontstekingscellen, dat bij ontstekingen uit de bloedvaten treedt.




Exsudatieve epidermitis
Een vooral bij jonge biggen (1-6) weken voorkomende gegeneraliseerde dermatitis die gekenmerkt wordt door het voorkomen van korsten die bestaan uit ingedroogd exsudaat, talg en uit de omgeving opgenomen vuil (exsudatieve epidermitis). De belangrijkste oorzaak is Staphylococcus hyicus (ook wel S. hyos genoemd). Deze bacterie zou echter niet in staat zijn de intacte huid in te dringen. Meestal wordt het optreden van smeerwrang voorafgegaan door huidbeschadigingen, b.v. schaafwonden. Bij oudere biggen komt een meer gelokaliseerde vorm van exsudatieve epidermitis voor die smeerpokken wordt genoemd. Synoniemen: dermatitis crustosa, greasy pig disease, roetbig, smeerpokken en smeerwrang.




Exsudatieve ontsteking
Ontsteking, die vooral gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van exsudaat. Min of meer het tegengestelde is de proliferatieve ontsteking.




Extra-uteriene graviditeit
Men buitenbaarmoederlijke graviditeit. Men onderscheidt twee vormen:
1. Primaire of ectopische extra-uteriene graviditeit.
Hierbij vindt de ontwikkeling van de graviditeit vanaf het begin plaats buiten de uterus. Primaire extra-uteriene graviditeit is bij huisdieren zeer zeldzaam.
2. Secundaire extra-uteriene graviditeit.
Hierbij is de ontwikkeling van de graviditeit begonnen in de uterus, maar de vrucht is later via een uterusruptuur in de buikholte terecht gekomen. Hier gaat de ontwikkeling van de vrucht soms nog een tijdje door, maar meestal sterft de vrucht spoedig na het optreden van de ruptuur.




Extramedullaire haemopoŰse
Vorming van bloedcellen buiten het beenmerg, b.v. in milt en lever.